Vliegen en andere ongemakken
Bunbury - Cape Naturaliste - Leeuwin NP
Klik op een foto om te vergroten. Toelichting verschijnt dan in de titelbalk. Deze bladzijden tonen maar een kleine selectie van de 400 Australië foto's. Bestel de CD om alle 300 foto's schermvullend (800 x 600 pixels) te bekijken! Tevens op de CD: diashows met authentieke muziek en het complete interactieve verhaal, ook geschikt om te printen.
Niemand
praat erover. Misschien denk je dat de Aboriginals het donkere geheim van Australië
zijn? Mis. Het zijn de vliegen. Niemand waarschuwt ooit een toerist voor de
vliegen. Pas op: niet doorvertellen! In Perth viel het nog mee. We zagen maar
soms een vlieg. En als we er eentje zagen, zat de vlieg gewoonlijk midden in
het gezicht van een gids, die verwoede pogingen deed met woeste armbewegingen
het beest subtiel te verwijderen (de Australische groet). Tevergeefs. Een intrigerend
schouwspel wat ons nog verder afleidde van het toch al onverstaanbare taaltje
dat men hier Engels noemt. Zodra we vanuit Perth naar het zuiden reisden begonnen
de vliegen zich te vermenigvuldigen.
Maar
eerst onze auto ophalen. In Holland hadden we via internet een huurauto gereserveerd,
zeer duur om een auto te huren als je West Australië wilt bezoeken, twee
maal zo duur als een bezoek aan de meer geciviliseerde staten South Australia,
Victoria en New South Wales. Heel erg oneerlijk vonden wij, wij rijden alleen
over verharde wegen, we gaan helemaal niet naar het verlaten noorden van West
Australië waar veel wegen onverhard zijn en waarom moeten we dan toch zoveel
betalen. Na twee weken begrepen we dat een stuk beter en voor jou komt dat begrip
ook – als je een beetje geduld hebt. Veel geld, maar in ieder geval hebben we
de auto geregeld. Tenminste, dat dachten we. Toen we de auto kwamen ophalen
bleek dat we maar gedeeltelijk verzekerd waren. Ons eigen risico per gebeurtenis
was 1000 Australische Dollar (€ 600,-), zelfs als het ongeluk niet onze schuld
is krijgen we dat geld pas terug als de verzekering van de andere partij betaald
heeft. Als we het eigen risico willen afdekken zijn we veel geld kwijt. We hebben
een zeer beperkt budget en aangezien we nog nooit een (huur)auto beschadigd
hebben, besluiten we het risico te nemen.
Onze auto, een Toyota Corolla, is gelukkig een automaat en
het verkeer in Perth is zeer relaxed, waardoor
we de eerste dag links rijden overleven. Van Perth naar Bunbury is een eenvoudige
route, ook al heel gelukkig, aangezien ieder keer dat ik net iets aan de late
kant aankondig dat we af moeten slaan, de ruitenwissers als een gek heen en
weer schieten. Ik kijk naar Jac en zie dat hij wanhopig alle handels onder handbereik
probeert, op zoek naar de richtingaanwijzer. Alles zit gespiegeld. Zodoende
gebeurt het ook nogal eens dat Jac links instapt, sleutels in de aanslag totdat
hij geschokt ziet dat ik achter het stuur zit. Kan ik hartelijk om lachen natuurlijk,
al vind ik het nu iets minder komisch als ik hier in Holland per ongeluk toch
weer de rechterdeur van mijn nieuwe Toyota Corolla open doe…
Bunbury
is een klein plaatsje, ingesloten door de Indische Oceaan ten westen en de Koombana
Baai ten noorden. We kamperen dicht bij de Koombana Baai, een ruim opgezette
camping die eigenlijk meer op een park lijkt: veel groen gras en weinig mensen.
Het weer is prima en de volgende morgen wandelen we naar de ‘Dolphin Interaction
Zone’, vlak tegenover onze camping. We willen graag zwemmen met dolfijnen maar
dit blijkt nog niet zo simpel te zijn, aangezien de dolfijnen uit vrije wil
naar ons toe moeten komen en wij niet met een boot op zoek naar hen gaan. We
liggen een paar uur in de zon, praten met verschillende vrijwilligers die ons
verleidelijke verhalen vertellen over alle dolfijnen die hier geweest zijn maar
er eerlijkheidshalve wel aan toevoegen dat ze lang niet iedere dag een bezoek
brengen. We houden de horizon nauwlettend in de gaten en zien uiteindelijk een
paar ‘bottlenose’ dolfijnen. Die blijven helaas ver uit de buurt. Uiteindelijk
gaan we toch maar zwemmen, dolfijnen of geen dolfijnen.
De volgende dag hebben we meer geluk, net voordat we vertrekken
nemen we nog even een kijkje op
het strand en zien we een paar dolfijnen zwemmen, buiten de ‘Dolphin Interaction
Zone’ maar dat zal ons een zorg zijn (en de dolfijnen ook). Ik spring het water
in, zwem richting dolfijnen maar dat blijkt niet zo simpel, het ene moment duiken
ze in de buurt op, het volgende moment zijn ze een halve kilometer verderop.
Toch, plotseling, als ik het al op wil geven, duikt er eentje vlak voor me het
water uit. Fantastisch. Ik zwem hem nog een eind achterna maar moet helaas constateren
dat dit een beetje vergelijkbaar is met een kleuter die op zijn driewielertje
de achtervolging inzet van pa, net met de Porsche uit de oprit wegschietend.
We
bezoeken het ‘Big Swamp Wildlife Park’ in Bunbury en voeren de rode kangoeroes,
die uit onze hand eten. We zijn de enige bezoekers en de kangoeroes hebben honger,
wat onze populariteit aanzienlijk doet stijgen. Sommige kangoeroes pakken onze
hand vast en houden die vast tot ze het voer
in onze hand naar binnen gewerkt hebben, andere doen niet zo moeilijk en grijpen
direct in het voerzakje. Misschien krijg je nu een verkeerde indruk, dit klinkt
een beetje agressief, maar kangoeroes zijn echte knuffeldieren en vinden het
zalig om onder de kin gekieteld te worden. Een hele leuke ervaring! In het park
maken we ook kennis met de inheemse vogels die we de komende weken in het wild
overal tegen zullen komen: parkietjes, papagaaien, kakatoes, zwarte zwanen,
‘Magpie’ ganzen en de beetje ouwelijke, uilachtige Kookaburra’s.
Van
Bunbury rijden we verder door naar het zuiden richting Cape Naturaliste. Eerst
rijden we door open velden, maar dan wordt de weg smaller en de omgeving onherbergzamer.
Bomen begroeid met klimop, omringd door struikgewas, overal bloemen. Het glooiende
landschap
biedt wisselend uitzicht op bossen en groene weides, totdat we opeens een glimp
blauw van de oceaan zien. Cape Naturaliste, in westelijke richting uitstekend
in de Indische Oceaan, is een prachtige plaats met weidse uitzichten over het
groene land en de transparante blauwe zee fonkelend met azuren banen. We wandelen
naar het walvis uitzicht punt vanwaar je ver over de oceaan kan kijken. Helaas
– geen walvissen te zien maar wel zo’n 10 miljoen vliegen (voorzichtige schatting).
Hier aan de kust is het opeens bloedheet, zeker 30 °C en de vliegen zijn
overal: in onze ogen, onze oren, neus en mond. Rare vliegen hebben ze hier in
Australië, Nederlandse vliegen gaan altijd op je eten zitten maar deze
zijn alleen maar in ons gezicht geïnteresseerd.
Vijftig kilometer ten zuiden van Cape Naturaliste kamperen
we in het Leeuwin Naturaliste Park. Onze
camping, Conto Beach, beslaat een groot stuk land, geheel in originele staat.
De camping is vrijwel verlaten. We kijken op ons gemak rond om een goed plaatsje
te vinden en kiezen een locatie dicht bij een toilet en niet ver van het enige
waterpunt. We zijn nog geen ervaren Australische kampeerders en denken dat de
hoge bomen vlak naast onze tent ons afdoende tegen de harde wind zullen beschermen.
Op de één of andere manier is het ons gelukt onze tent op het
allerhoogste punt van de camping neer te zetten. ’s Nachts hoor ik de wind in
de verte aan komen zetten, in sterkte winnend als hij de toppen van de hoogste
bomen raakt, gillend door de lagere bomen slaat om tenslotte onze tent op z’n
grondvesten
heen
en weer te schudden. Ik lig wakker en vraag me bij elke windvlaag af of onze
tent het nú dan zal begeven. Wonder boven wonder blijft onze tent overeind
en ’s ochtends vroeg gaat de wind liggen. Dat is het teken voor de parkieten.
Eerst hoor ik er maar een paar in bomen ver weg, dan opeens is het geluid oorverdovend
en wordt onze tent geterroriseerd door enorme zwermen vogels. Ik weet zeker
dat de hoeveelheid decibels ver boven het geluidsoverlast niveau ligt, maar
ja, dit is de natuur dus niets aan te doen. Na een paar uur wordt het rustiger
en als ik mijn hoofd uit onze tent steek zie ik overal grote groepen groene
en rode parkieten zitten, wroetend in het gras.
Gedurende het ontbijt noemt Jac de minimale faciliteiten die
een camping moet bieden om tot ‘Jac approved’
camping uitgeroepen te worden. Een mooie situering is aardig, maar niet absoluut
noodzakelijk! Een schoon toilet (Jac bedoelt hiermee een toilet zonder mieren
en vliegen), een douche en een keuken om uit de wind te kunnen eten en wat licht
te hebben later op de avond (het scheelde niet veel of ons romantische kampvuur
van gisteravond was het einde van de hele camping), horen
bij
de minimale faciliteiten. Normaliter zet ik de reisroute thuis globaal uit –
Jac vindt het niet leuk om van te voren al foto’s te zien van de plaatsen die
je gaat bezoeken, waarom zou je er dan nog heengaan vindt hij. Maar nu toont
hij opeens aanzienlijk meer interesse in mijn reisplannen. Ik moet toegeven
dat afwassen niet makkelijk is: hurkend heb je één hand nodig
om het kraantje open te houden, één hand om het voorwerp dat je
af wilt wassen vast te houden, één om het vuil er met het koude
water af te poetsen en tenminste twee handen om de vliegen van je gezicht te
slaan. Hier heerst ook een soort horzels die het vooral op mijn bloed voorzien
heeft.
Een
pad voert van de camping door het dichte oerwoud naar de nabijgelegen grotten.
Het is warm maar niet te warm, het bladerdak beschermt ons tegen de zon. We
zien merkwaardige bomen, een soort kleine palmboompjes met een punk kapsel bovenop.
Later leer ik dat dit zogenaamde grasbomen zijn en dat ze alleen bloeien na
afgebrand te zijn – meestal hoeven ze niet lang te wachten op de
volgende
bosbrand vermoed ik gezien onze eigen kampvuur ervaringen. Grote zwarte kakatoes
met zilveren strepen op hun borst houden ons nauwlettend in de gaten, ze zitten
vlakbij ons in een boompje en lijken zelfs nog meer geïnteresseerd in ons
dan wij in hen. Na een korte wandeling vinden we de grotten zonder problemen
(ooit verloopt een wandeling wel eens probleemloos, sorry). De ingang van de
zogenoemde ‘Lake Cave’ is bijzonder, een vroegere grot is ingestort en we dalen
via een trap af naar de bodem van de voormalige grot. Enorme Karri bomen groeien
omhoog naar het licht. Hier beneden is het een paar graden kouder dan boven
en de rotsen zijn met mos overgroeid. Lake Cave is een hoge grot met uitgebreide
stalagmiet en stalactiet structuren, gereflecteerd in het roerloze spiegelvlak
van het ondergrondse meer. De stille, mysterieuze
sfeer in de grot contrasteert sterk met het groene oerwoud honderd meter hoger,
warm en vol leven.
Conto Beach is dichtbij en ziet er zeer uitnodigend uit: oogverblindend wit zand en blauw water met witte schuimkopjes. Op de foto zie je Jac gelukkig staan grijnzen in de zon op het strand. De werkelijkheid is echter een tikje anders. Jac, normaal zeer rustig, is flink op dreef met zijn tweede tirade van vandaag: “Ik word gezandstraald door de wind, lastig gevallen door honderden plakvliegen, de zon brandt, de branding is levensgevaarlijk en het water is ijskoud!”. Ik kan het niet laten even op te merken dat Jac dan nu uiteindelijk het verschil ervaart tussen plaatjes kijken en werkelijk ergens zijn. “Ja”, beaamt Jac: “De vliegen”.
Terug naar Virtual Traveling home